De tijd van de martelaren Ick hoorde een maechdeken singen Ic seg adieu, vleesch, bloet Twas een maechdeken Mijn God, waer sal ick henen gaen? Lieve broeders, ick groet U Alsmen schreef duyst vijfhondert Ick arm schaep Wilt ghy wesen eenen oorloochsman Geroert ben ick van binnen In bitterheyt der sielen Alsmen duysent vijfhondert heeft gheschreven Genade ende vrede O Godt ghy zijt mijn Hulper fijn Babel is nu ghevallen Ick hef mijn stem ootmoedich Tobias tot sterven gheneghen Vrienden loyael Ydoone vrient Als David Joris om de Schat Comt al te saem Myn lieve kint Zingt God den Heer Myn liefste Lief vol eeren De Heer sal die bewaren Myn Heyl, mijn Godt! Die gheduerigh met vermaeken De God der Goden (Psalm 50) Zijt genadig! (Psalm 67) Gelijk een Rots (Psalm 28) Zo flauwt de geur (Psalm 69) Het treurig Springgezang (Psalm 7) Het ranke Schip van storm bestreden (Psalm 17) Opt treurgeluyd (Psalm 61) Nu eens een Zegelied gezongen (Psalm 9) |